Coöperatieve Boterfabriek Erm
In de negentiende eeuw karnden de boeren – of beter gezegd: de boerinnen – in deze streek zelf boter van de melk die hun bedrijf opleverde. Het verwerken van melk, room en boter was een dagelijkse, arbeidsintensieve bezigheid die veel tijd en rompslomp met zich meebracht. Op initiatief van het Drents Landbouwgenootschap werd daarom actief propaganda gemaakt voor het fabrieksmatig bereiden van boter.
Onder invloed hiervan besloten de Ermer boeren om een eigen handkrachtfabriek op te richten. Rond 1890 namen Frederik Schultz en Jan Schaange Wilting, beiden boeren uit Erm, het initiatief voor de bouw van een fabriekje voor de bereiding van roomboter. In de vergunning van de gemeente Sleen staat onder meer beschreven:
“De inrichting zal worden opgericht in een nieuw te bouwen gebouwtje, met steen opgetrokken en gedekt met pannen, waaronder een houten dakbeschot. De schoorsteen zal insgelijks van steen tot zijn volle hoogte worden gebouwd. De bouwkosten bedragen circa 1750 gulden.”
Dit zuivelfabriekje werd het eerste handkrachtzuivelfabriekje van Drenthe. Op 23 februari 1894 was het gebouw bedrijfsklaar. De boeren hadden levering van melk toegezegd van in totaal 160 koeien. De eerste directeur was de heer Otten uit Rolde, en al op 24 mei 1894 werd vermeld dat de fabriek “naar volle tevredenheid” functioneerde.
Toch bleek de bedrijfsvoering op de langere termijn niet rendabel. In 1907 zochten de Ermer boeren aansluiting bij de Coöperatieve Zuivelfabriek in Sleen, die bereid was de onderneming met alle lusten en lasten over te nemen. De fabriek in Erm werd daarop geliquideerd. Omdat de zuivelfabriek in Sleen vanwege uitbreiding extra personeel nodig had, werd afgesproken dat de Ermer directeur, de heer Schutrups, in Sleen in dienst zou treden.
Na de overname werd de zuivelfabriek in Erm gesloten en uiteindelijk gesloopt. Wat resteert, is de herinnering aan een pionierend initiatief dat de overgang markeert van huiselijke boterbereiding naar de moderne zuivelindustrie in Drenthe.